blog van Fons Bloemen

de ironie in de kunst en het vervreemdende van het primitivisme

21 februari 2011)

Het komt mij voor dat de ironie een belangrijk uitgangspunt is voor mij. Ik heb gemerkt dat kunst en ironie een verband is dat door velen niet alleen bewonderd, maar ook veracht en zelfs gehaat wordt. Dit is niet een trend van de laatste jaren het is al heel lang zo geweest. Het is bekend dat ijdele machthebbers altijd al een broertje dood hebben gewenst aan de ironie en het eerste wat dictators steeds doen is de kans op humor uit de weg te ruimen. Het hoeft daarom niet te verwonderen dat hoe verder we in de tijd terug gaan wordt des te schaarser de kunstwerken die uit pure ironie zijn ontstaan, die (tenminste) nog zijn bewaard gebleven. Franz Xavier Messerschmidt, een gevierd beeldhouwer uit de tijd van Mozart en Mesmer (de astrale gezondheidstralen bedenker) uit de 18e eeuw in Wenen wachtte totdat hij zich terugtrok uit deze kringen niet ver van het vroegere Pressburg waar hij eigenzinnig zijn beroemde karakter koppen begon te maken. Menigeen (tot onze tijd toe) zal geen glimlach kunnen onderdrukken bij het zien van zijn beelden die min of meer zelfportretten zijn die gevuld zijn met zelfspot. Zo zeer zeer zelfs dat verschillende latere onderzoeket hebben vermoed dat hij gek was geworden, iets wat ik betwijfel. Gekken kunnen inderdaad wel gekke gezichten trekken maar daarmee kunnen ze nog zo'n prachtige expressieve koppen beeldhouwen!

messerschmidt

karakter kop, F X Messerschmidt

Iemand die wachtte dat zijn cariere voor een groot deel voorbij was met het maken van genre schilderijen en portretten voor het Spaanse hof was Francisca Goya. De serie etsen "grillen" (caprioles noemde hij ze), waren eerder het tegenover gestelde van wat hofkringen graag wilden zien. Achteraf gezien kun je aanvoeren dat zijn bijtende spot vooral onder invloed van de Franse revolutie die in het naburige Frankrijk was komen overwaaien en die zullen er zeker ook van invloed op zijn geweest. Maar Goya was op de eerste plaats een echte kunstenaar die natuurlijk zijn ogen niet in zijn zak had. Het hof en alles wat er omheen was moet hem in zijn brave periode bedenkingen hebben opgeleverd. Hier en daar sprong hij op bedekte manieren uit de band en schilderde bv leden van het Spaanse hof zoals ze er echt uit zagen met hun verpletterende ... wat zal ik zeggen? menselijkheid! Maar in zijn latere prenten ging hij veel openlijker te keer. Niet alleen het hof de katholieke kerk met de net weer herstelde inquisitie die meende alle van ketterij verdachte mensen moesten uit geroeid worden of in het dolhuis gestopt, maar ook het bijgeloof in geesten en heksen van de gewone bevolking. Hij heeft zelf al beelden getekend van emancipeerde vrouwen die zo gezegd de vloer aanveegden met mannen in de vorm van kippetjes met mensenhoofden die net geplukt waren. Wat Goya tekende en later schilderde hebben misschien velen destijds gedacht hebben, alleen niemand had tot dat moment zo treffend vorm gegeven.

goya

Fransisco Goya: "nou gaan zij geplukt"

Een ander ironisch hoogtepunt in de kunst vormen de schilderijen en tekeningen van James Ensor (ruwweg tussen 1870-1900). Zijn schilderijen met karnavalsmaskers, mensenschedels en zeeschelpen, die in het souvenierwinkeltje van zijn moeder in Oostende werden verkocht, drukten volgens mij vooral een ironie uit die zich onderscheidde van de brave salon schilderijen die destijds in de mode was en waar Ensor voordien zelf trouwens ook aan heeft mee gedaan.

ensor

James Ensor: "vertroostende maagd"

Ook zijn schilderijen van carnavals optochten en het hanteren van katholieke waarden met een ironische ondertoon moeten in die tijd vooral absurd overgekomen zijn. Ik ken er uit die tijd geen gelijken die behalve die ironische inslag ook een brillant schilder en tekenaar was. Behalve Felicien Rops misschien die 27 jaar ouder was dan Ensor, maar teken technisch en schilderkundig gezien toch wat mij betreft de mindere al blijft zijn ironie ook indrukwekkend. Later zouden de eerste dadaïsten tijdens de bijeenkomsten in Zürich opnieuw pogingen ondernemen om dezelfde ironie in een ander licht te plaatsen, al lijken die lang niet zo doeltreffend dan de eerder genoemde voorlopers. Waarschijnlijk hebben ze daarom niet zo'n diepe sporen achter gelaten in de kunstgeschiedenis.

Na een korte abstrakte flirt vonden Otto Dix en George Gross dat de figuratieve beeldtaal nog lang niet uitgeput was. Met een sterk ironische ondertoon wilden zij de verwarde samenleving van het naoorlogse Duitsland (WO1) in kaart brengen waarmee ze bij hun toeschouwers niet alleen bewondering maar zeker ook de woede van velen op de hals haalden.

dix

Otto Dix: -portret van de journaliste Silvia v Harden-

Tot de dag van vandaag blijven kunstenaars zoeken naar een manier de harten van toeschouwers op een of andere manier te raken en de ironie blijkt daar een zeldzaam maar een effectief middels toe te zijn geweest. Er is literatuur uit de zelfde tijd bv de verhalen van Franz Kafka (bv “de hongerkunstenaar”) zijn wat mij betreft gevuld met dezelfde ironie zodat sommige lezers het vandaag de dag nog steeds hoofdschuddend naast zich leggen en anderen door gefascineerd worden. De ironie is en blijft zich van een herkenbare beeldtaal bedienen dit in tegenstelling tot de abstrakten. Toch wil ik er met klem op wijzen dat niet alle ironische kunst van zelfsprekend als duurzame kunst de tijd zal overstijgen. Kennelijk is er kunst die de tand des tijds aankan en er verschijnen vele eendagsvliegen die weer net zo snel vergeten weer zullen zijn.

de vervreemding als middel tot hopelijke vernieuwing

Aan de andere kant van deze ironische ondertoon ontstond in de loop van de 20e eeuw een, wat ik zou noemen: een vervreemdende inslag die een lang gekoesterde invloed op de kusnt bleek te hebben. Ik noemde al reeds de kubisten die een soort tegenbeeld vormden van de ironischen. Schilderijen van Picasso en anderen moesten destijds niet meteen herkenbaar maar eerder vervreemdend (lees: nieuw) werken! De inspiratiebronnen van beelden uit Afrika of Oceanie werden in het begin van de 20e eeuw als vooral exotisch of curieus gezien. Geen van de westerse kunstenaars verdiepte zich echt in het leven of culturen van haar oorspronkelijke niet westerse makers. Het esthetische (een schoonheids of juistheid aspect) wordt voor deze categorie gewaardeerd dus als nieuw of vernieuwend. Dat blijkt achteraf gezien maar ten dele waar want zoals op de tentoonstelling "primitivism in 20th century art" (in het New Yorkse Moma in 1983) werd kunst uit Oceanie en Afrika als inspiratie bronnen naast de modernistische kunst uit het westen getoond en daaruit bleek dat het zo hoog gewaardeerde nieuwe van kopstukken uit de 20e eeuw heel vaak aftreksels of op z'n best varianten van hun oorspronkelijke exotische inspiratiebronnen uit Afrika en Oceanie te zijn geweest.

Een ding is meteen opvallend en dat is dat westerse kunstenaars meestal de steeds toegepaste symetrie van primitieve kunst omzetten tot een a-symetrie. Picasso gaf al meteen de toon aan en dat maakte vanaf het begin de associatie met haar inspiratiebronnen voor buitenstaanders niet meteen herkenbaar. Misschien ook omdat Picasso zijn inspiratiebronnen er nooit naast liet zien en de meeste belangstellenden destijds geen weet hadden van deze exotische kunst.

picassopende

Picasso en masker van de Pende (Congo)

De term primitivisme werd al in 1938 gebruikt door Robert Goldwater in zijn boek "primitivism and modern art" Hij zag het verband tussen kunst uit vele exotische landen en vele westerse kunstenaars veel breder dan de latere William Rubin (in de uitgebreide tentoonstelling catalogus) uit 1983 dezelfde term gebruikte. Zeker; de inspiratiebron voor veel modernistische kunstenaars was meestal afkomstig van kunst uit niet westerse samenlevingen, maar inhoudelijk gezien heeft praktisch alle moderne kunst niets met zg primitivistische kunst te maken. Ook kunst van psychatrische patienten laat hij onder de dezelfde noemer vallen namelijk als primitief. Westerse kunstenaars hadden op een bepaalde manier als kijkers belangstelling voor , maar de eventuele betekenis van de oorspronkelijk primitieve beelden wekte nauwelijks of geen belangstelling op. Men mompelde misschien iets van oorspronkelijke- of oer-kunst maar veel verder ging men in de meeste gevallen niet. Veel aantrekkelijker is wat dit betreft de in Duitsland gehanteerde term “Exotische Kunst”. In 1987 werd een grootschalige tentoonstelling georganiseerd door het Duitse buitenlandse ministerie en de Würtenbergischen Kunstverein met de titel “Exotische Welten und Europaische Phantasien”. Ook hier werd Europese kunst en kunst uit niet westerse culturen naast elkaar getoond. Deze stellingname toont aan dat belangstelling van kunstenaars al veel langer bestond voor niet-westerse kunst en cultuur die als een soort spiegel diende waarin zij hun creatieve fantasie lieten prikkelen. Niet alleen uit de beeldende kunst bleek deze belangstelling, maar ook bv muziek, theater, architectuur of literatuur. Zo kan, wat mij betreft de aanvankelijke loftrompet van de revolutie uit de modernistische kunst uit de 20e eeuw in volume tot een iets bescheidenere plaats worden terug gedrongen.

Kunstenaars laten hun fantasie net zo prikkelen door bv primitieve kunst als hun vroegere collega's dat al hadden gedaan vanaf de 16e eeuw. De exotische goederen die onze landen bereikten of aanvankelijk door ervaringen welke beschreven werden door reizigers, prikkelden de fantasie van kunstenaars in hun creativiteit. De echte oorspronkelijke culturen bleken daarbij inhoudelijk gezien, maar gedeeltelijk van belang; zij diende slechts als spiegel waar vanuit deze kunst gemaakt werd. Wat wel voor alle 20e eeuwse kunst geldt die geinspireerd is door primitieve kunst is dat zij vooral in het begin vervreemdend werkte, waardoor zij soms de beoogde kwallificatie kreeg als "vernieuwend......" Dit was allemaal niet zo bijzonder; ware het niet in toenemende mate de biografische verhalen die rondom kunstenaars zijn verspreid over primitieve beschavingen en wat kunstenaars daarop voor commentaar leveren. Het verschil tussen Picasso die zijn schilderijen maakten en wat hij er zelf over te melden had is een wereld van verschil met kunstenaars van na 1960. In de tweede helft van de 20e eeuw leek het zg "ik tijdperk" ingetreden en de stem van kunstenaars namen in toenemende mate de rol van critici en commentatoren over die voor die tijd (misschien wel te) lang geheerst hadden. Niet dat die overigens wat hadden tegen kunnen houden maar binnen de pers heerste heel lang tenminste die illusie.

Maar er is meer gebeurd in de 20 eeuw dat een diepe indruk heeft nagelaten in de ontwikkeling van de beeldende kunst. Al vrij vroeg werd de belangstelling van enkele psychiaters gewekt door de creaties van psychiatrische patienten. En 1922 publiceerde Hans Prinzhorn zijn boek "bildnerei der Geisteskranken" dat geillustreerd werd met zwartwit foto's van werken van patienten uit psychiatrische klinieken. De belangstelling kwam in eerste instantie uit vakkringen van de psychiatrie maar geleidelijk aan begonnen kunstenaars zich te verwonderen over deze eigenzinnige kunst die hun vooral erg origineel over kwam; een deugd die in de loop van de eeuw, (zo schijnt het mij) door kunstenaars in toenemende mate werd gewaardeerd.

Alles moest anders in het 20e eeuwse westen en kunstenaars hadden een enorme behoefte aan een nieuwe revolutie. Kunst moest nu persoonlijker worden, dichter op de ziel en in de loop van de jaren 50-60 begonnen jonge kunstenaars alle technische vaardigheden waarin hun voorgangers steeds streng waren opgeleid nu aan de kant te schuiven. Hoe hadden patienten zich zo weten te ontwikkelen zonder enige technische kennis of vaardigheden, zo vroegen zij zich af en hoe wisten jonge kinderen spontaan hun gevoelens te uiten in hun tekeningen en schilderstukken zonder dat ze daarin waren ingewijd door de zo lang hoog gewaardeerde kunstacademieleraren? Een ijverig schilder als Rousseau de douanier werd door de jonge Picasso gewaardeerd maar lang door veel andere tijdgenoten uitgelachen. Picasso was van het begin af aan een "beelden-veelvraat"; hij nam alles gulzig wat hij kon gebruiken in zich op. Het lijkt me het zinvol is dit gegeven als een rode draad vast te houden. Kunstenaars zijn geen filosofen al lijkt het soms verdacht veel op hoe ze praten. Ze verwonderen zich voortdurend over beeldmateriaal hardop al zullen ze niet graag horen dat de inhoud er op de lange duur weinig toe doet..... Waar het om gaat is hoe ze het uiteindelijk in nieuw beeldmateriaal verwerken.

In de jaren 60 van de vorige eeuw begonnen Musea werk van leden van de cobragroep te exposeren en na het initieerende protest van pers en publiek ging deze kunst voor een tijdje de wereld beheersen. De ontdekking van kunst van kinderen en geestelijk gestoorden of beschadigden was in de eerste helft van de 20e eeuw al door vele kunstenaars ontdekt. De leden van de Cobra groep zouden hierop gewoon op verder gaan.

Niettemin waren de gevolgen die het naoorlogse kunstklimaat bepaalden enorm. Op sommige academies werden oude technieken onder luid protest van de docenten aan de kant geschoven: alles zou nu helemaal anders moeten. Nieuwe technieken werden opgepakt en druk onderzocht. Er ontstond een verwarring in museumland; niemand wist even niet wat nu waardevol was en wat niet. Misschien hebben de Dadaisten in het begin van de eeuw hiernaar gesnakt? Even leek het dat de deur op een kier stond en een nieuwe richting zou worden ingeslagen. Ongeveer in die tijd verscheen de Duitse kunstenaar Josef Beuys op het toneel. Hij leek een erg introverte kunstenaar die helemaal binnen in zich zelf zocht naar beelden die er volgens hem er toe deden. Rond 1950-1955 werd de studie "sjamanisme" van de Roemeen Mircea Eliade gepubliceerd die in Roemenie en later aan de Sorbonne (universiteit) van Parijs had gestudeerd waarin alles wat hij kon vinden aan geschreven documentatie over resten van het sjamanisme waren opgetekend door ethnologen en ontdekkingreiziers over de hele wereld. Of Beuys deze studie ooit gelezen heeft, weet ik niet, maar jaren later begon hij vaag te fabuleren over zijn oponthoud bij bewoners in de buurt van de Krim waar hij als jong Lufwaffepiloot tijdens de WO 2 was neergestort en verzorgd door enkele van oorspronkelijke bewoners uit die streek. Er zijn filmopnames van Beuys (ze staan op Utube) waarin hij tijdens een tentoonstelling vertelt hierover. Eliade interesseerde zich dus voor de inhoudelijke kant van wat nog restte van oorspronkelijke primitieve culturen en in het bijzonder de zg prehistorische religie. Beuys was ook geboeid daardoor maar liet er als kunstenaar vooral zijn fantasie op los. Aanvankelijk maakte hij eenvoudige tekeningen, later installaties. Deze waren in de meeste gevallen museum gebonden. Een museum werd letterlijk als een betreedbare etalage ruimte beschouwd waarin de kunstenaar van alles kon samenbrengen, waardoor zijn ideeen zichtbaar werden. De installaties van Beuys werkte in het begin zeker vervreemdend, maar hij trachtte met zijn eigen toelichtingen deze vervreemding te elimineren. Of hem dat gelukt is mag u zelf beoordelen,maar zeker is dat hij een soort primitvisme nieuw leven in blies die vele navolgers op het spoor hebben gezet.

(l 3 juli 2011)

beuys

sok

Dat beuys niet zonder ironie was blijkt uit dit bovenstaande kunstwerk: sok over een paal getrokken!

 

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

even iets geheel anders: EVEN JODELEN

kunst beperkt zich natuurlijk niet alleen tot het maken van beelden of schilderijen. Daarom ….. iets heel anders: namelijk:

Jodelen wordt meestal geassocieerd met Beieren en het alpengebied,
maar wist u dat jodelen heeft bestaan en bestaat nog steeds over de hele wereld ?
De typische omslag van toon in een soort dissonantie is een veel meer voorkomender fenomeen dan men zich realiseert. Men dacht eerst herders uit de alpen waren geïnspireerd door deze dissonante tonen om de dieren bij zich te houden of om met mensen op verre afstand te kunnen communiceren. bv iemand thuis (is het eten al klaar?) of een geliefde (schatje ik ben hieiehier!).
Daar valt natuurlijk mij wat voor te zeggen.
Maar in Centraal Afrika wonen verschillende Pygmee stammen die ook jodelen al eeuwen lang. Een aantal stammen zingen heel mooie liederen waar inderdaad die toonomslag fraai is ingebouwd. Luister hier maar eens naar:
http://www.youtube.com/watch?v=HRVPieyKv8M&feature=related

Die overgangen van toon bestonden ook in liederen uit het oude Japan: in het zg No theater.
http://www.youtube.com/watch?v=HRVPieyKv8M&feature=related
Het no theater is heel erg gestileerd. Zonder uitleg begrijp je er meestal erg weinig van het verhaal van maar esthetisch is het zeker, dat misschien wel te vergelijken is met het oude Griekse drama toneel.
Japan heeft al lang sterke exotistische neigingen gehad. Eerst was het China en Korea dat als inspiratiebron gold, en sinds de buitenlandse machten Japan dwongen naar meer openheid rond 1860 ongeveer hebben ze zich in toenemende mate op het westen geworpen. Vrijwel alles kun je in het moderne Japan aantreffen maar dan soms in extreme vorm. Zo bestaan er ware Japanse jodelaars die in het Japans Beiers jodelen op een octoberfest in Japan compleet met enorme Lederhosen en korte kromme beentjes er onder en geen sake (traditionele rijstwijn) maar veel bier natuurlijk, heel veel bier…
http://www.youtube.com/watch?v=1RsfOlzcA-k
Hier heb je er nog een van een vrouw die in het Japans jodelt op een japanse TV show
http://www.youtube.com/watch?v=M1wPPi5ag6g&NR=1&feature=endscreen

In Perzië heb ik destijds ook traditionele muziek gehoord die erg veel weg had van jodelen. Je hoorde het op veel radio's indertijd, bv in bussen en theehuizen. Dat was nog in de tijd van de Sjah.
http://www.youtube.com/watch?v=TG_26TGsNCc
Heel anders als het beierse jodelen natuurlijk, maar toch dat vreemde omslaan van de stem ingepast in heel fraaie melodieuze muziek. Bekend zijn ook de mystieke liederen van Perzische Soefies die wat zang techniek hier op lijken. Het is zoals in veel moslim muziek voorzang en herhaling van het koor ingebed in een hypnotiserende klank en ritme.
http://www.youtube.com/watch?v=oXJ3Fc8MBPw&feature=related

In Pakistan was destijds toen ik er reisde rond 1973 Kawalimuziek heel populair. Dit waren liederen met een religieuze strekking als ik het goed begrepen heb.. De mensen werden opgezweept door deze muziek zo erg dat defundamentalistische moela's uit moskees hun wenkbrauwen begonnen te fronsen en ze samen met de Taliban indertijd hebben proberen uit te schakelen. De bekendste zanger die je op deze film ziet is Nusrat fateh ali khan die niet alleen vele concerten gaf in Pakistan die soms tot diep in de nacht doorging. Binnen zijn eigen taal gebied maar ook ver daarbuiten werd hij enthousiast ontvangen, wat op zich zelf toch een opmerkelijk verschijnsel is. Kennelijk is er iets heel fundamenteels dat de taalgrenzen oversloeg. Dit is een uitvoering in Pakistan:
http://www.youtube.com/watch?v=B9lt-JI86k4 Je moet je voorstellen dat op deze opzwepende muziek deze mensen uitzinnig enthousiast waren dat was dus niet alleen in Pakistan maar ook bv in de Duitsland Amerika of Japan.

Maar als je dacht dat alleen enkele wereldmuziekanten nog jodelen dan vergis je je. De klassieke zangeres Cecilia Bartoli nam vooraf serieus jodel lessen om een lied van Johann Nepomuk Hummel echt goed te kunnen zingen. Luister maar wat deze kunstenares kan met haar stem:
http://www.youtube.com/watch?v=DbnDSxnfgxs
Hummel leefde van 1778-1837 en heeft nog les gehad oa van Mozart en Haydn die overigens enthousiast waren over dit jonge talent . Hij was een tijdgenoot van de gebroeders Grimm en Goethe die zich eveneens begonnen te verdiepen in de volksaard van die tijd die zich kennelijk na de verlichting inderdaad begon te veranderen . Bekend zijn de gebroeders Grimm natuurlijk de door hun verzamelde sprookjes. Een van hen Jacob was iemand die zich verwonderde over zijn taal en hij ontdekte als eerste de Germaanse klankverschuivingen. Of er een verband bestaat tussen deze taal wetenschap die Jacob Grimm beschreef en de belangstelling van Hummel voor zoiets als het traditionele jodelen weet ik niet maar zeker is dat ze beiden op z'n zachts gezegd niet doof opstelden ten opzichte van tradities waarin zij leefden…. en een betere houding dan de Franse filosoof Jean Jaques Rousseau (die binnen de filosofie de grondlegger van de romantiek wordt genoemd ) die zich beperkte tot een meer negatieve houding (met opgeheven vingertje) dat de cultuur per definitie aan verval onderhevig zou zijn. De eerder genoemden traditionalisten begonnen vast te leggen wat zij als traditie beschouwden en deden er vervolgens wat positiefs mee. In die zin kunnen we ook de verdere belangstelling zien die later steeds meer ontstaan is voor niet westerse culturen.
Primitivisten zien primitieve culturen als een gegeven dat ooit bestaan heeft en wat zij als het ware trachten te herbeleven in hun werk. Exotisten daarintegen laten zich inspireren (of zo u wilt prikkelen) en laten er vervolgens openlijk hun creatieve fantasie op los. Wat er uiteindelijk uitkomt hoeft niet noodzakelijk wat met haar oorsprong te maken hebben! Zo kunnen we Hummels werk zien als geïnspireerd door het alpenjodelen maar wel verfijnd tot een volwaardige muziek zoals dat toen gold. (en voor de liefhebbers natuurlijk nog steeds!) Ook de Zwitserse hedendaagse muziekanten bv Christian Zehnder (Hij had ooit een groep Stimmenhorn met oa alpenhoorns en vooral zijn stem) gaat een stapje verder, want bij traditie (in de zin van bv de "Japanse lederhosen" die in feite wat na doen) hoeft het echt niet te blijven…. Hier zie en hoor je een gedeelte van een consert van Christian Zehnder, maar er zijn er wat de anderen betreft een boel meer. (geplaatst op 02-04-2012)
http://www.youtube.com/watch?v=xGuGhH8u13k

 

mensen jagen een casuaris en een casuaris draait de rollen om

casuarisjacht 1990 fons bloemen

Toen ik voor het eerst terug kwam uit West Papua in 1990 maakte ik dit schilderij. Je ziet vier mensen die een casuaris jagen. Vijf jaar later toen ik met de voorbereiding van mijn boek (-first contact in south new Guinea-) bezig was ontdekte ik een reisverslag waarin een casuaris de rollen had omgedraaid.

Het was in het begin van de 20e eeuw toen er verschillende expedities naar het vrijwel nog onbekende Nieuw Guinea werden ondernomen dat een deel van onze Indische kolonie was. Korporaal Wilke was met de KNAG expeditie (koninklijk nederlandse aardrijkkundige genootschap) mee gegaan. Vanaf november 1904 werden een begin gemaakt bij de Etnabaai in het zuidwesten, dat in kaart werd gebracht en men begon een orienterend onderzoek naar flora en fauna en niet te vergeten: (voor zo ver aanwezig) de papoea bevolking in dit vrij dun bevolkte gebied . Vanaf de expeditieschepen werd met kleinere stoomsloepen de rivieren op gevaren en verder te voet werden verkenningen ondernomen. De eerste indrukken werden in verslagen opgetekend die later zijn gepubliceerd. Gewapend met fotocamera's werd alles vastgelegd zodat een groot aantal foto's bewaard zijn gebleven eerste contacten met dit boeiende land dat in vele opzichten nog in de stenen tijd leefde.
Op de 25e januari ging korporaal Wilkes uitgerust met een vlindernetje en waarschijnlijk een paar boterhammen en een veldfles koude thee in zijn tas op vlinderjacht. Op een gegeven moment zoals het klassieke vlinderverhaal luidt kreeg hij een uitzonderlijk mooi exemplaar in het oog en zonder zich verder aan zijn omgeving te storen spoedde hij zich er achteraan. Niet meer denkende aan de door de expeditieleden aangegeven markeringen; hij verliet het pad dus. De vlinder die hij volgde fladderde nog steeds verder voor hem uit totdat hij plotseling oog in oog kwam te staan met een kasuaris. Dit is een soort loopvogel, vergelijkbaar met een struisvogel maar dan met een keiharde bult van hoorn op hun hoofd die alleen in Nieuw Guinea en noord Australië voorkomen en die bijzonder krachtig zijn. Met hun sterke nagels aan hun poten kunnen ze mensen zo uitschakelen doordat ze met een krachtig stoot met hun poten mensen zelfs kunnen doden. De kasuaris nam een dreigende houding aan door hem recht aan te kijken, zijn kop even naar beneden te neigen en de onze brave korporaal zette het nu op een lopen. Er volgde een wilde achtervolging dwars door het bos totdat hij aan een oever kwam. Hij dacht : dit is geen watervogel en hij waagde hij het erop zich haastig terug te trekken in het moerassige water. De kasuaris volgde hem inderdaad niet en maar bleef langs de oever op en neer paraderen terwijl hij onze onfortuinlijke korporaal der nederlandse leger scherp in oog bleef houden. Mogelijk had Wilkes de kasuaris bij zijn nest jonkies gestoord? Kasuarissen zijn dieren die hun territorium zeer heftig kunnen verdedigen. Later kwamen er nog een paar kasuarissen bij en Wikes bleef dus bang in het moeras wachten totdat de beesten zouden verdwijnen. Volgens sommigen zouden kasuarissen heel goed kunnen zwemmen maar waarom deze het niet deden is niet bekend. Misschien wilden ze eventuele kleintjes niet onbewaakt achter laten. Papoea's zijn geneigd hun jonkies te stelen als ze de kans krijgen om deze in gevangenschap te laten opgroeien totdat ze groot genoeg zijn om te kunnen slachten en opeten. Ondertussen viel de avond en nu begonnen wolken muggen op te komen en deze waren niet van plan onze ongelukkige vlindervanger met rust te laten. Door de avondkoelte en zijn natte kleren begon hij het fris te krijgen. Hij hoorde in de verte schoten van de andere expeditieleden die ongerust waren geworden en naar hem aan het zoeken waren. Hij riep natuurlijk terug, maar jammer genoeg hoorden ze hem niet. De volgende morgen toen de kasuarissen verdwenen waren kroop hij verkleumd en door de muggen gestoken uit het water. Onder een boom legde hij zich uitgeput neer en viel uitgeput in een diepe slaap. Toen hij weer wakker werd ontdekte hij tot zijn schrik dat hij zijn oriëntatie totaal kwijt was.
Ook voesel had hij niet meer. Het eten dat hij had mee genomen was de dag er voor waarschijnlijk allang op. en middelen om er aan te komen in de vorm van een wapen had hij ook niet bij zich. Zo heeft hij in vertwijfeling dagen lang rond gezworven. Wel ontdekte hij op een gegeven moment twee bomen met djamboes (dit zijn waterachtige tropische vruchten) Maar verder vond hij helemaal niets. Na 10 dagen ronddolen ontdekte hij kervingen in een boom die alleen van de expeditieleden konden zijn om hun weg te markeren. Zo kwam hij weer terug op hun oude kampplaats die inmiddels verlaten was. Hij viel weer uitgeput in slaap en werd zo gevonden door leden van het terugkerende expeditie team. Volgens het verslag zou Wilkes vermagerd zijn tot op het bot met ingevallen ogen, en verscheurde kleren hingen hem "als vodden langs het lijf". De schoenspijkers waren diep doorgedrongen in zijn voetzolen en het was duidelijk dat hij iets had meegemaakt dat diepe indruk op hem had gemaakt. De verslagschrijver meldt dat kolonel Wilkes twee dagen later nog steeds geen zinnig woord had uit gebracht, Duidelijk was dat het plezier van deze vlinderjacht en misschien wel het hele Nieuw Guinea avontuur er een beetje uit was gevloden…..…

Je vraagt je achteraf af wat er door die man heen is gegaan zo verloren en alleen hij in deze wildernis hij op zich zelf werd terug geworpen? Spookte allerlei Kafkaiaanse gedachten door zijn hoofd of was hij gewoon een bange jongen die op wrede wijze verstoord was uit zijn 19e eeuwse vlinderdroom? Hij werd niet door wrede koppensnellers overvallen maar door een dier op twee poten met een voorhistorisch uiterlijk. De volgende dag waren de kasuarissen verdwenen en hij zag ze niet meer terug. Wat overbleef was dit onnoemelijke niets van de Nieuw Guinese natuur en natuurlijk zijn knagende honger?
Ik heb gezocht op het internet of er een geluid van een kasuaris te vinden was. Er zijn op Utube filmpjes te vinden van mensen die door een casuaris worden aangevallen opgenomen door Australiers en waarschijnlijk uitgezonden op TV als een spannende ervaring met een gevaarlijk dier in de bush: http://www.youtube.com/watch?v=8jB2QFmXUCo&feature=fvwp&NR=1

Ik vond ook een film van Australiërs die een kasuaris tegemoet treden met een camera in de hand in een soort dierentuin. Op zo'n film zie je zo'n kasuaris net als bij Wilkes waarschijnlijk de tegenstander even scherp aankijken, een stuk met zijn kop naar beneden neigen, voordat hij dan naar voren stormt, waarbij hij een soort dreigend grommend geluid maakt.

http://www.youtube.com/watch?v=4dcQO6Zb8Eg&feature=related

http://www.youtube.com/watch?v=nOPVVdg8noc&feature=endscreen&NR=1

De moderne lezer zal dit toch als een soort jurassicparc ervaring zijn dat wij alleen vanuit onze TVstoel of uit de bioscoop kennen.
Schitterend zijn trouwens ook de natuurgeluiden door de zelfde Nederlandse expeditie leden opgetekend. Het koor van de krekels dat volgens de schrijver klokslag 5 uur steeds begon alsof het door een dirigent werd gedirigeerd, het aanzwellen en dimmen lijkt alsof het op papier stond… De verslagschrijver was kennelijk een muziekliefhebber hij vergeleek het ergens met de muziek van Berlioz het demonenkoor (Damnation de Faust) "met daar tussendoor geluiden als van castagnetten" en daarna weer de merkwaardige complete stiltes. Waren het somige vogelgeluiden in de binnenlanden van Nieuw Guinea die de begin 20e eeuwers deden denk aan de stoomfluit van een schip en andere aan het schreien van een kind deed herinneren wat later een klein soort uil bleek te zijn die zich in buurt in een boomholte schuil hield.
Maar niet alleen insekten en vogel geluiden verwonderden de leden van de aardrijkskundige expeditie zeer. "Een enkele keer werden we opgeschrokken door een doffe dreun van een neervallen boom." Zij vonden dan de volgende dag een dode en verrotte woudreus neer liggen, die reeds lange tijd op het ogenblik had staan wachten "van een windvlaag of een wijziging van het vochtgehalte zijn topzwaar lijf deden losscheuren van de lianen die hem aan de andere bomen vastsnoerden". Op http://www.sound-effect.com/ kun je tegenwoordig allerlei soorten geluiden oproepen al blijven het jammer genoeg maar kleine stukjes. (opgetekend op 7-4-2012)